Natuurinclusieve landbouw. Wie kan er tegen zijn? Het klinkt vriendelijk, groen, en ook nog steeds als productie. Dat zal de reden zijn dat de term het goed doet. Er komen tal van natuurinclusieve landbouwprojecten van de grond. De grote vraag is echter: wat is natuurinclusieve landbouw eigenlijk?

Definitie natuurinclusieve landbouw

De WUR geeft als definitie: “Natuurinclusieve landbouw is een vorm van duurzame landbouw en onderdeel van een veerkrachtig eco- en voedselsysteem. Deze maakt optimaal gebruik van de natuurlijke omgeving en integreert die in de bedrijfsvoering. Daarnaast draagt natuurinclusieve landbouw actief bij aan de kwaliteit van diezelfde natuurlijke omgeving. Natuurinclusieve landbouw produceert voedsel binnen de grenzen van natuur, milieu en leefomgeving, met een positief effect op de biodiversiteit.”

Het zijn veel woorden, en dat is bij definities meestal geen goed teken.  Het valt ook op dat het veel rekbare begrippen zijn. Het zijn lastig meetbare begrippen. En hoe onduidelijker, hoe lastiger de kernboodschap in de communicatie.

Veranderen

De term wordt door velen wordt omarmd. Door het groene deel der natie met de verwachting dat er met natuurinclusieve landbouw een verandering komt in de richting van duurzaam en natuurvriendelijk. Maar ook in de gangbare landbouw wordt het begrip welwillend tegemoet getreden vanuit de gedachte dat veel boeren hier al aan werken en dat er dus niet zoveel hoeft te veranderen. Iedereen blij.

Maar gaat er zo wel wat veranderen? Dat zullen we nooit weten zonder criteria en monitoring.

Moeten we tot een heldere en ook meetbare definitie van natuurinclusieve landbouw komen om te zorgen dat er iets gaat veranderen?

Verdienmodel

De landbouwsector kaart bij natuurinclusieve landbouw aan dat het een mooi verhaal is, maar dat er geen verdienmodel onder zit. Er zijn nog geen natuurinclusieve landbouwproducten te koop in de winkel; wel biologisch, biodynamisch, of met goedkeuring van de Vogelbescherming, maar niet met het stempel ‘natuurinclusief’. Hier bijt het probleem zich al in de staart: zonder sterk verhaal is het niet mogelijk een keurmerk of certificaat te ontwikkelen en is er voor consumenten geen reden om meer voor hun voedsel te gaan betalen.

Subsidieverstrekkers en projectfinanciers lijken minder waarde te hechten aan scherpe definities. Als het geld maar op een hoopvolle manier wordt besteed, is het goed. En de term natuurinclusieve landbouw is hoopvol. Het is alleen wel de vraag hoe lang de samenleving nog hoop houdt dat de achteruitgang van de biodiversiteit hiermee wordt teruggedrongen.

Voorlopig blijft de inzet voor natuurinclusieve landbouw beperkt tot het naar voren schuiven van een aantal groene voorbeeldboeren die natuurinclusief werken, volgens welke definitie dan ook. We noemen ze ook wel eens de troetelboeren. Dat zie je overigens zowel bij de groene als de landbouworganisaties: de groene voorbeeldboeren worden als boegbeeld naar voren geschoven. Deze zijn vaak representant van 10 tot 20 procent van de landbouwsector. De overige 80 procent komt niet in beeld en boert steeds iets intensiever verder. Dat patroon zien we al zo’n dertig jaar.

Is dit een herkenbaar beeld: de troetelboeren? Klopt het dat dit al heel lang wordt ingezet? En dat het voorbeeld van deze boeren zelden is gevolgd, maar dat de landbouw steeds intensiever is geworden? Zijn het excuustruzen geworden?