De landbouw van morgen dichterbij

Hoeveel verhalen zijn er de afgelopen jaren al niet geschreven onder de landbouw van morgen? Want de landbouw verandert voortdurend en er is vaak een goede reden voor transitie. Zeker nu, nu het huidige landbouwsysteem piept en kraakt in z’n voegen. Iedereen lijkt ontevreden, steeds meer mensen hebben hierover een mening en de discussies worden feller.
Hoogste tijd om er nog een mening tegenaan te zetten: over de vraag hoe de transitie van de landbouw in ons land concreet tot stand kan komen. Die mening baseer ik op meerdere webinars die ik in 2020 leidde over landbouwthema’s. Vereist de gewenste transitie dat we een concrete stip aan de horizon zetten? Hoe ziet die er dan uit? Krijgen we de transitie binnen het bestaande systeem gedaan? En: wie is aan zet?

Wel of geen visie?

Allereerst over de vraag: hebben we wel of geen visie nodig op hoe de landbouw van de toekomst eruitziet? Want de afgelopen 10 jaar kwam er steeds een nieuwe focus: mest- en dierrechten, agrarisch natuurbeheer, dierenwelzijn in combinatie met dierziekten, korte ketens, klimaatadaptatie, kringlooplandbouw, stikstof, natuurinclusief, energieneutraal. Er zijn zoveel variabelen, dat er geen heldere lijn in komt. Is een meer vaste koers noodzakelijk?

Nauw bij de landbouw betrokken hoogleraren zijn het hier niet over eens. Jan Willem Erisman van het Louis Bolk Instituut en de Universiteit van Leiden heeft niet veel vertrouwen meer in visies: “Laten we ophouden met het formuleren van visies, want het kost veel tijd en we worden het toch niet eens. Met het stellen van kaders kunnen we ook goede richting geven aan de toekomst van de landbouw.”
Hens Runhaar, scheidend hoogleraar van de leerstoel ‘Beheer van biodiversiteit en agrarisch landschap’ in Wageningen, denkt er anders over. Runhaar verwacht van de overheid een visie, voor eigen beleid en ook voor boeren om zich op te kunnen richten. Dat ben ik met hem eens. Je hebt ook voor kaders een richting nodig, bij voorkeur een wenkend perspectief. Dat hoeft geen nauw afgebakend perspectief te zijn waar iedereen in moet passen. Daar is de landbouw te divers voor. Maar als het noodzakelijk is om te bewegen in de richting van meer kringlooplandbouw, meer natuurinclusief en meer klimaatneutraal, dan kunnen we in ieder geval de blik in een bepaalde richting wenden.

Ook bij boeren is behoefte aan een concreet perspectief op de toekomst. Al jaren beweegt het beleid van incident naar incident. Dat geeft weinig houvast voor boeren: wat is een goede bedrijfsstrategie? Langzaamaan groeit binnen en buiten de landbouw het besef dat het huidige systeem tegen z’n grenzen loopt en dat er reden is om te veranderen. Daar moet op worden ingespeeld. Een visie helpt ondernemers bij keuzes om een bepaalde kant op te gaan.

Circulair, natuurinclusief en klimaatneutraal

Hoe moet dat wenkend perspectief eruitzien voor de landbouw?

Berno Strootman, tot december 2020 Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving, introduceerde de term ‘landschapsinclusieve landbouw’ om zijn perspectief te schetsen. Dat is volgens hem “de productie van veilig, voldoende en gezond voedsel, die plaatsvindt op een gezonde bodem in een aantrekkelijk, robuust landschap binnen heldere randvoorwaarden van natuur- en milieukwaliteit, biodiversiteit en klimaat en dus goed is voor boer, burger en economie”.
Dat is nog een erg open omschrijving. Want wat is veilig, wat gezond, wat aantrekkelijk, wat helder en wat goed? Het lijkt me beter om te toetsen aan de definities van circulair, natuurinclusief en klimaatneutraal. Hoewel ook deze definities voor meerdere invullingen vatbaar zijn, kunnen we hiermee beter bepalen of we in de goede richting gaan.

Het doel centraal

De stip aan de horizon moet in elk geval helpen om bepaalde ontwikkelingen uit te sluiten of te ontmoedigen, zoals bijvoorbeeld verder uitputten van de grond of peilverlaging in veengebieden. Belangrijk is om het doel centraal te stellen, dan blijft terwijl er voldoende ruimte voor diversiteit in uitvoering en maatregelen. Kleine stappen in de goede richting moeten worden gewaardeerd. Voor natuurinclusieve landbouw is gesuggereerd te werken met een sterrensysteem, zoals het Beter Leven-keurmerk voor dierenwelzijn. Dat idee wordt in een webinar van De Lynx over natuurinclusieve landbouw door een groot deel van de deelnemers ondersteund. Ben Haarman, LTO-bestuurslid, zegt hierover: “Goed idee! De kopgroep doet het al, de rest heeft een prikkel nodig.” Zo’n sterrensysteem kun je goed koppelen aan de ecoregelingen in het nieuwe GLB. Het helpt om te bepalen of en in hoeverre we de goede kant op bewegen.

Systemen veranderen

Verschillende provincies stelden de afgelopen jaren ook een Landbouwvisie op, zoals de provincie Utrecht in 2018: “Deze visie is geen blauwdruk, wel een richtingwijzer in een transitie naar een vitale en duurzame landbouw. De provincie streeft naar een landbouw die circulair, natuurinclusief en klimaatneutraal is en zeker ook economisch rendabel: een landbouw met perspectief.”
Ze zet zo een richting uit. Maar beleid is geduldig – het gaat erom wat er daarna gebeurt. Dat staat nog wel eens haaks op de visie. Zo is de provincie Utrecht dit jaar gestart met het project Plattelandscoaches. Boeren kunnen gebruik maken van 25 uur gratis advies. Een goede gelegenheid om boeren te helpen in de richting van de provinciale landbouwvisie zou je denken, maar dat speelt hierin geen rol. Het gaat om de ontwikkeling van de ondernemer en die mag zelf bepalen in welke richting hij/zij wil gaan. Als dat in de richting van schaalvergroting en intensivering is, mag dat ook, en is er dus ook gratis advies.

De kloof tussen visie en anders concreet handelen zien we vaker. Zo stippelde Carola Schouten als minister van Landbouw een richting uit met haar visie over kringlooplandbouw. Die wordt vaak aangehaald, maar haar beleidsmaatregelen bewegen vooralsnog niet in diezelfde richting. Voor het stikstofbeleid formuleerde de minister een beleid dat doet denken aan het oude PAS-beleid. Het levert de boeren het beeld op dat ze gewoon op dezelfde voet verder kunnen gaan. Er is nog weinig reden voor verandering, straalt Carola uit op dit dossier. Fundamentele ingrepen in de omvang van de veestapel of op de import van soja blijven uit. Met wat passen en meten en extra geld voor natuurkwaliteit gaan we op weg naar de volgende rechtszaak waar de aanpak naar alle waarschijnlijkheid opnieuw juridisch onderuit gaat.

De EU Green Deal geeft richting

De koers van de minister wordt natuurlijk mede bepaald door de Tweede Kamer. Mijn stelling is dat een aantal sturende fracties in de Tweede Kamer het meest conservatieve deel van de landbouwsector vertegenwoordigen. In de Tweede Kamer willen de coalitiepartijen CDA, VVD en CU vooral blijven voortmodderen zoals we nu doen, en partijen als PVV en FvD lopen puur opportunistisch achter een ontevreden deel van de sector aan.
Ook in het Europees Parlement is er weinig animo om het Europees Landbouwbeleid fundamenteel te veranderen. Stappen richting een beleid dat serieuze tegenprestaties voor de hectaretoeslagen in het GLB vraagt, zwakt het Parlement steevast af. Boeren met grond krijgen zo’n 350 à 400 euro per hectare per jaar uit Brussel, gemiddeld 25.000 euro per bedrijf. Het is niet alleen billijk om daarvoor een tegenprestatie te verwachten, het is ook een gouden kans om de landbouwsector te laten bewegen in een richting die de EU op papier heeft uitgestippeld. Kijk naar de EU-Green Deal, daar staat een duidelijke richting in naar een circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale maatschappij.

De minister en de politiek zitten vast in bekende patronen. Derk Loorbach, hoogleraar sociaal-economische transities aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, zegt hierover: “Het politieke regime zit vast in de groef van streven naar economisch herstel. Maar dit heersende regime zit ook in onszelf: we zijn vooral gericht op reductie van risico’s en we willen vooral het bestaande repareren. Het vraagt lef om het anders te doen, en lef hebben vraagt weer om een helder kompas. Onderzoek naar succesvolle transities laat zien dat je een wenkend perspectief nodig hebt om te veranderen.”

Kenmerk van transitie is, stelt Loorbach, maatschappelijke onzekerheid. Die maatschappelijke onzekerheid zien we op dit moment sterk terug in de landbouw. Niet vreemd, want de druk vanuit de maatschappij om te veranderen wordt groter, en er is onzekerheid over de financiële situatie van veel boerenbedrijven. Dat laatste versterkt de economische bril waarmee veel boeren naar het beleid en de maatschappelijke druk kijken: er komen eisen bij, maar de verdiensten stijgen niet navenant.

Misschien moet er echt een systeemverandering plaatsvinden, waarin we als maatschappij onze eenzijdige economische blik verbreden naar méér waarden. Nu is biodiversiteit in de ogen van veel boeren nog een last, en zeker geen plezier. We gaan met biodiversiteit in het landelijk gebied niet echt vooruit komen als boeren met een puur economische blik blijven kijken, zoals het overgrote deel van de maatschappij. De manier waarop nu landbouw wordt bedreven is immers een product van de huidige maatschappij en het economisch welvaartsdenken.
In mijn directe omgeving zie ik boeren hun aangekochte natuurgrond egaliseren zodat ze makkelijker kunnen maaien. Dat microreliëf bijdraagt aan gradiënten en dus aan biodiversiteit is geen relevant argument voor ze. Minder reliëf is makkelijker maaien, dat telt. Niet alleen op het eigen bedrijf, ook in het natuurbeheer door boeren prevaleert vaak de economische blik. Het is een erg lastige opgave om hier verandering in te brengen, daar gaat minimaal één generatie overheen.

Want milieuregels kun je nog afdwingen, natuurliefde niet. Dat geldt niet alleen voor boeren. Voor veel burgers geldt net zo dat er op de zondagmiddag nog wel natuurliefde is bij de wandeling in het nabijgelegen natuurgebied, maar dat die op de maandagochtend alweer vergeten is als er relevante beslissingen in het werk moeten worden genomen. Ook al moeten we daar nog een lange weg voor gaan, het is noodzakelijk om maatschappijbreed uit het smalle economische denken te komen en meer genoegen te putten uit het werken voor andere waarden zoals biodiversiteit of het tegengaan van klimaatverandering. Als de overheid tegelijkertijd zorgt dat het werken aan andere waarden, bijvoorbeeld via ecosysteemdiensten, ook nog wat oplevert, dan kan er echt winst geboekt worden.

Even over verdienmodellen

Ook al pleit ik er voor om de economisch smalle blik te verwijden, we ontsnappen niet aan de economische paragraaf. In discussies over de toekomst van de landbouw gaat het al gauw over verdienmodellen. Deze discussies ontaarden al snel in generalisaties. Er wordt dan gewezen op te lage prijzen en op de wankele financiële situatie van veel bedrijven.

Een kwart van de boeren zit onder de armoedegrens. Vaak worden deze boeren als vertrekpunt genomen in de discussies over de financiële situatie van het landbouwbedrijfsleven. Je zou ook kunnen zeggen: dan beperken we bij deze groep onze verwachtingen als het gaat om bijvoorbeeld natuurinclusief werken. Dan blijft er nog steeds 75% over die niet belemmerd wordt door een krappe financiële basis. Dan kunnen we nog steeds veel vooruitgang boeken. In 2019 was het gemiddelde inkomen van een boer 57.000 euro per jaar (vergelijk: het modaal inkomen in Nederland was 35.000 euro per jaar).
De maatregelen die passen bij een circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw hoeven ook niet allemaal extra kosten met zich mee te brengen. Er zijn genoeg maatregelen die goed zijn voor bodemkwaliteit (en dus voor het bedrijf) en voor bodembiodiversiteit en die juist geld opleveren. En vanggewassen langer laten staan hoeft geen kostenpost te zijn.

Overigens geldt dat de stapeling van maatschappelijke vragen soms zo groot kan zijn, dat je redelijkerwijs niet kunt verlangen dat boeren die allemaal in hun bedrijfsvoering inpassen. Zo is het voor het veenweidegebied, waar we de bodemdaling willen beperken, onontkoombaar dat de overheid bijspringt als de peilen omhoog moeten, bijvoorbeeld met een vergoeding voor meer natuurinclusieve landbouw op vernatte percelen.

Coalition of the willing

Er zijn al veel voorbeelden die laten zien wat er mogelijk is aan ‘kringlooplandbouw’ en boerenbedrijven die bij wijze van spreken al de nodige sterren hebben gescoord. Want misschien gaan politiek en bestuur traag, in het veld is steeds meer beweging te zien.

De Volkskrant in december 2020 schreef over een onderzoek onder ondernemers in Nederland waarin twee vragen werden gesteld: hebben we een klimaatcrisis? En: gaat de overheid dat oplossen? De antwoorden hierop waren overwegend resp. “ja” en “nee”. Steeds meer ondernemers trekken de conclusie: dan zullen we zelf aan de bak moeten. Dat gebeurt ook steeds meer, ook in de landbouw en niet alleen voor het klimaatvraagstuk. Ondanks dat er in de landbouw een flinke groep is die elke verandering wil tegenhouden, is er ook een grote groep die wél in beweging wil komen.

Alle goede voorbeelden worden al jaren op het podium gehesen alsof het exemplarische voorbeelden zijn. Lange tijd waren dat geen exemplarische voorbeelden maar eerder incidenten. Heel langzaak komen er steeds meer goede voorbeelden. Het is nu zaak dat het aantal goede voorbeelden toeneemt. Dat lijkt langzaamaan te gebeuren. Neem de Rabobank, die trekt conclusies en neemt verantwoordelijkheid met bijvoorbeeld bijdragen aan de biodiversiteitsmonitor en een fonds voor landinrichting (het Herallocatiefonds). Ook bij particuliere investeerders in grond is een trend te zien, dat er naar meer dan alleen naar rendement wordt gekeken. Het gaat steeds vaker om de legacy: wat laat ik achter? `

Al deze voorlopers kunnen samen werken aan de sneeuwbalmethode door anderen te inspireren. Zo kunnen we misschien op gang komen met een ‘coalition of the willing’. Een coalitie met de onderlinge afspraak dat ze in woord, beleid en daad werken aan kleine en grote stappen naar een circulaire, natuurinclusieve en klimaatneutrale landbouw. En daar aan gehouden mogen worden. Het is dus net wat breder, qua thematiek en samenstelling, dan het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Wie weet gaat de Agenda Natuurinclusief, waar het ministerie van LNV en provincies samen met onder meer terreinbeherende organisaties aan werken, daar een invulling aan geven.

Iedereen moet mee kunnen doen aan een coalition of the willing: terreinbeherende organisaties en overheden die richtinggevende voorwaarden stellen bij verpachten, banken en investeerders die alleen geld uitlenen aan duurzame investeringen, overheden die subsidies koppelen aan duurzame voorwaarden, consumenten en retailers die producten uit kringloop- en natuurinclusieve landbouw bevoordelen, boeren die kleine of grote stappen zetten naar een landbouw met meer aandacht voor kringlopen, biodiversiteit en klimaat. Een coalitie die overheden en politiek verleidt om zich aan te sluiten, want dat is noodzakelijk. Regelgeving en subsidiestromen blijven uiteindelijk cruciaal om verandering te bewerkstelligen.

 

Wageningen, 19 januari 2021, Rob Janmaat

Geschreven op basis van voorzitterschap van webinars over natuurinclusieve landbouw, het stikstofdossier, beëindiging leerstoel Agrarisch Natuurbeheer, de Agenda Natuurinclusief en de “De landbouw van morgen”.

Rob Janmaat is al ruim 25 jaar directeur-eigenaar van Communicatiebureau de Lynx, actief in natuur, landschap en duurzaamheid.